Professionele autonomie en managerialisme binnen de universiteit: een tegenstelling?

Professionele autonomie en managerialisme
Deze blog gaat over de spanning tussen professionals en managers binnen de universiteit. Eén van de eerste ‘tegenstellingen’ waarmee je mee te maken krijgt als medewerker binnen de universiteit is het onderscheid tussen Wetenschappelijk Personeel (WP) en Ondersteunend en Beheerspersoneel (OBP). Vereenvoudigd gezegd houdt het WP zich bezig met de primaire processen onderwijs, onderzoek en valorisatie, en doet het OBP dat niet. Het WP doet het échte werk binnen de organisatie: ze zorgen voor toonaangevend onderzoek met maatschappelijke impact en kwalitatief goed onderwijs. Het OBP daarentegen zijn bijvoorbeeld medewerkers van de administratie, de catering, de personeelsadviseurs en ICT-beheer. Wél belangrijk om de toko draaiende te houden, maar het komt op de tweede plaats.

Gevoelsmatig zal je dus zeggen dat je zoveel mogelijk WP en zo min mogelijk OBP moet hebben. In alle plannen en jaarverslagen van universiteiten valt dan ook te lezen dat de universiteit zich zal inspannen om het percentage OBP zo laag mogelijk te houden. In deze visie moet het WP zich zo autonoom mogelijk kunnen richten op hun vakgebied – vrij van interne of externe invloeden. De wetenschapper weet immers zelf heel goed wat onderzoekswaardig is en wat daarvoor nodig is. Een zo groot mogelijke vrijheid leidt volgens deze visie tot een goede wetenschappelijke bijdrage en bloei van de universiteit. Dat wordt bedoeld met professionele autonomie.

Tegenover deze voorstelling staat het beeld van de universiteit als ‘koekjesfabriek’, geleid door bestuurders en managers. Deze representatie is een uitvloeisel van het New Public Management-denken dat in de jaren ’80 is ontstaan. New Public Management staat voor een meer bedrijfsmatige besturing van publieke instellingen. Waarden als doelmatigheid en effectiviteit zijn binnen deze stroming leidend. Het New Public Management is ook in universiteiten doorgedrongen, mede door groeiende studentenaantallen en veranderende verwachtingen van de samenleving. Universiteiten zijn steeds meer gaan meten en ook sturen op cijfers: aantallen studenten, diploma’s, publicaties en promoties. Deze zijn bepalend voor het budget. Dit sturen en meten wordt uiteraard gedaan door managers. Deze vorm van ‘top-down’ sturen door managers noemen we voor het gemak ‘managerialisme’. Er is op dit moment een groeiende afkeer tegen deze vorm van managerialisme. Groepen als Science in Transition, Beter Onderwijs Nederland en Platform Hervorming Nederlandse Universiteiten zetten zich in meer of mindere mate in tegen de ‘bureaucratisering’, ‘hiërarchisering’ en ‘economisering’ van de universiteit. Een interessante ontwikkeling wat mij betreft.

In hoeverre is er sprake van een tegenstelling?
In eerste opzicht lijken de professionele autonomie van de wetenschapper en het managerialisme van bestuur en management geheel tegengesteld aan elkaar. Managerialisme gaat altijd ten koste van professionele autonomie en vice versa. Een zero-sum game dus: er is er maar één die er beter van wordt. De Bruijn (2008) ziet de relatie tussen de hoogleraar en de manager dan ook als ‘countervailing powers’: de hoogleraar staat voor kwaliteit, de manager voor kostenbeheersing. Deze twee waarden gaan niet goed samen. Kayser & Fokkema (2007) stellen bijvoorbeeld dat hoe meer druk er van het management uitgaat om bijvoorbeeld administratieve gegevens te leveren, hoe groter de kans dat dit leidt tot een zekere haat-liefde verhouding tussen hoogleraren en de ondersteuning.

Je zou ook kunnen beargumenteren dat een bepaalde vorm van managerialisme en professionele autonomie in zekere mate goed samengaan. De managers moeten zorgen dat de randvoorwaarden voor de professionals in orde zijn waarbinnen de professionals kunnen excelleren. Ze zijn complementair en versterken elkaar. Als positief ingesteld persoon zie ik wel wat in deze opvatting. Als de (administratieve) processen goed worden ingericht door ‘de managers’, houden ‘de wetenschappers’ zoveel mogelijk tijd en ruimte over voor hun kerntaken onderzoek en onderwijs.

De waarheid over de vraag of managerialisme en professionele autonomie samengaan zal zoals gebruikelijk ergens in het midden liggen. Het probleem daarbij is dat beiden, zowel de manager als de wetenschapper soms gelijk heeft! Kwaliteit is van belang, maar budgetbewaking en prestatiemeting kan dat ook zijn. Er zal dus een gezonde balans moeten zijn. Iets wat je als (management) trainee binnen een universiteit voortdurend in het achterhoofd moet houden.

Bronnen:

Bruijn, H. de (2008). Managers en professionals: Over management als probleem en als oplossing. Den Haag : Sdu Uitgeverij.

Kayser, J., Fokkema J.T. (2007) Onder professoren. In: Thema, 1: 50-55.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s